TAALVERWERVING – intensieve taalcursus

ИНТЕНЗИВЕН КУРС ПО НИДЕРЛАНДСКИ ЕЗИК
TAALVERWERVING  INTENSIEVE TAALCURSUS

Дисциплината представлява интензивен блок от семинарни занятия, имащи за цел въвеждането на студентите в базисната фонетика, граматика и лексика на съвременния нидерландски език. Използват се учебни помагала предимно на нидерландскоезични съставители, специално пригодени за чуждестранни студенти. В програмата са предвидени и часове за слушане на аудиокасети и гледане на научно-популярни и игрални нидерландскоезични видеофилми, които развиват способностите за разбиране у студента, стимулирайки адаптацията му към мелодиката и произношението на езика.

Упражняват се диктовки, преводи и преразкази с цел подготовка за семестриалния изпит. Текстовете за превод от и на нидерландски език съдържат лексика, застъпена в учебния материал.

След успешно завършване на дисциплината студентите разполагат с лексикален минимум, позволяващ устна и писмена комуникация на елементарно ниво и познават основните правила на нидерландската граматика. Студентите придобиват базисни познания за езика и страната, които ги подготвят за изучаваната в трети семестър дисциплина Странознание на нидерландскоезичните страни. Развиват и умения да четат, слушат, разбират, говорят и пишат на нидерландски език.

Тема Брой часове
1 Fonetische problemen van het Nederlands.De klinkers, medeklinkers en de tweeklanken. 5
2 Kruiswoordraadsels: leeswaardigheid. Oefeningen van de uitspraak. 5
3 Nederland en Belgie: steden. Nederland en Belgie: rivieren en zeeën – aardrijkskundige karakteristiek. 5
4 De Benelux. Bevolking. De verspreiding van het Nederlands buiten Europa. 5
5 Herhaling 5
6 Nederlandse spraakkunst: woorden en zinnen. Vragen en mededelende zinnen 5
7 Overeenstemming tussen klanken en letters. De klemtoon 5
8 De lettergreep in het Nederlands. Open en gesloten lettergrepen. 5
9 Het lidwoord. Bepaald en onbepaald. 5
10 Enkelvoudige en meervoudige woorden 5
11 Herhaling. 5
12 Familierelaties: ouders en kinderen 5
13 Het onderwijssysteem in Nederland. De scholen en universiteiten in Nederland. 5
14 Het aantal letters in lettergrepen. Gedekte en vrije klinkers. 5
15 Klassen zelfstandige naamwoorden. De- en het-klasse. 5
16 Boodschappen doen: op de markt, bij de slager en de banketbakker. 5
17 Nederlandse warenhuizen – HEMA en Albert Heijn. Betalen in Nederland en België. 5
18 Herhaling. 5
19 Persoonlijke voornaamwoorden als onderwerp. 5
20 Telwoorden: hoofd- en rangtelwoorden. 5
21 Getallen en tientallen. 5
22 Herhaling. 5
23 Pers, radio en televisie. 5
24 Omroepverenigingen. 5
25 Naar de radio luisteren: BRTN, NOS en Radio Nederland Wereldomroep. 5
26 Herhaling. 5
27 Familieleven. Samen thuis. 5
28 Onbepaalde wijs en stam van het werkwoord. 5
29 De gebiedende wijs of imperatief. 5
30 De tegenwoordige tijd van HEBBEN en ZIJN. 5
31 Herhaling. 5
32 Nederlandse gerechten. 5
33 De kalender – seizoenen en het weer. 5
34 Feestdagen in Nederland en Belgie. 5
35 De onvoltooid tegenwoordige tijd. 5
36 Herhaling. 5
37 Op pad – kaartijes kopen, met de trein en met de tram rijden. 5
38 Rond het museumsplein. De weg vragen. 5
39 In het Rijksmuseum. Rembrandt van Rijn en Vincent van Gogh. 5
40 De voltooid tegenwoordige tijd. 5
41 Het voltooid deelwoord van zwakke en sterke werkwoorden. 5
42 Herhaling. 5
43 Onscheidbare werkwoorden. 5
44 Op de autosnelweg. Benzine tanken. 5
45 Onregelmatige en sterke werkwoorden. 5
46 Naar het Anne Frank Huis. De Tweede Wereldoorlog. 5
47 Marga Minco “Het bittere kruid”. 5
48 Onvoltooid verleden tijd. 5
49 Herhaling. 5
50 Een avondje uit. Nederlandse proeflokalen. 5
51 Persoonlijke voornaamwoorden als voorwerp. 5
52 De toekomende tijd of het futurum. 5
53 Kinderspelletjes.Vrijetijdbesteding. 5
54 Scheidbaar samengestelde werkwoorden. De plaats van GE-. 5
55 Nederlandse instellingen. 5
56 Bezittelijke voornaamwoorden. 5
57 De lijdende vorm of passief. 5
58 Herhaling. 5
59 Vrijheid van geloof.  De Nederlandse opstand. 5
60 Het ontstaan van de Republiek. De Gouden eeuw in Nederland. 5
61 Het meervoud op -EN. 5
62 Nederlandse gerechten (2). 5
63 Nederlandse literatuur. Multatuli en Max Havelaar. 5
64 Het meervoud op -S. 5
65 Leve de Koningin. Politiek leven in Nederland. 5
66 Meervoudsvormen bij homonymen. 5
67 Het meervoud op -EREN. 5
68 Staatsschuld en werkloosheid in Nederland. Een dag uit een werkloos leven. 5
69 Solliciteren. 5
70 Het meervoud op -LUI en -LIEDEN. 5
71 Het meervoud bij vreemde woorden. 5
72 Het meervoud bij maataanduidingen. 5
73 Herhaling. 5
74 Nederland en het water. Holland is door de mens gemaakt: het Deltaplan. 5
75 Het Nederlandse landschap. Strijd tegen het water. 5
FacebookGoogle+

Geef een reactie